|
KRACHT
X
SNELHEID
IS
VERMOGEN
Kracht
is
voor
de
meeste
sporten
een
onmisbare
factor.
Met
name
bij
kracht-
en
snelheid
gerelateerde
sporten
is
het
een
prestatie
bepalende
factor.
Kracht
is
nodig
om
snelheid
te
maken,
en
om
snelheid
te
kunnen houden.
Het
is
één
van
de
grondmotorische
eigenschappen,
die
een
sporter
moet
bezitten
om
te
kunnen
presteren. Er zijn in totaal vijf grondmotorische
eigenschappen en als
één
van
deze
prestatiebepalende
eigenschappen
onvoldoende
ontwikkeld
is,
blijven
de
prestaties
achter.
Het
is
dus belangrijk
om
niet
alleen
kracht
te
ontwikkelen,
maar
ook
de
spieren
te
“leren”
die
kracht
op
het
juiste
moment
te
kunnen
omzetten
in
snelheid. De vijf grondmotorische
eigenschappen zijn:
▪
Kracht
▪
Lenigheid
▪
Uithoudingsvermogen
▪
Coördinatie
▪
Snelheid
van
krachttraining word je niet langzaam?
Als
kracht
langzaam
wordt
getraind,
zoals
dat
normaal
in
en
sportschool
gebeurt,
leren
de
spieren
niet
om
de
timing
op
het
juiste
moment
te
maken.
Om
bijvoorbeeld
de
schaatsafzet
te
kunnen
maken
gebruiken
we
met
name
de
4
spieren
van
de
quadriceps
(voorkant
bovenbeen),
de
drie
van
de
hamstrings
(achterkant
bovenbeen)
en
de
drie
van
de
gluteus
(bilspieren
–
de
bekende
schaatskont).
Dat
zijn
samen
10
spieren,
die
allemaal
exact
op
het
juiste
moment
moeten
samenwerken,
om
de
beweging
te
maken
die
in
de
wedstrijd
nodig
is.
Maar
die
beweging
moet
je
ze
eerst
wél
leren.
Ze
moeten
leren
om
precies
tegelijk
op
het
juiste
moment
aan
te
spannen.
Als
dat
niet
gebeurt,
heb
je
het
effect
van
10
touwtrekkers,
die
om
de
beurt
aan
een
touw
trekken.
Wat
er
dan
ontbreekt
is
coördinatie. De
(ten
onrechte)
veel
gehoorde
klacht:
“van
krachttraining
word
ik
langzaam”,
vindt
hier
zijn
oorsprong.
Coördinatie
Coördinatie
is
niks
anders
dan
de
samenwerking
tussen
de
spiergroepen
onderling
en
de
spiervezeltjes
in
een
spier.
Als
je
je
naam
schrijft
en
je
bent
rechts,
dan
schrijf
je
met
je
rechter
hand
je
naam
in
een
vloeiende
beweging
op.
Maar
probeer
je
dat
met
links,
dan
hapert
het
aan
alle
kanten.
Je
linkerhand
heeft
wel
dezelfde
spieren
als
de
rechter.
Ook
wordt
hij
dagelijks
doorlopend
gebruikt.
Hij
is
dus
wél
getraind,
maar
hij
is
niet
specifiek
getraind!
De
spieren
hebben
niet
“geleerd”
die
beweging
te
maken,
en
werken
voor
die
beweging
niet
goed
samen.
Zo
werkt
dat
bij
alle
spieren
en
bewegingen.
Daarom
is
het
heel
belangrijk
dat
bij
het
sport
specifiek
krachttrainen
dezelfde
bewegingen
worden
gemaakt,
als
de
beweging,
die
in
de
wedstrijd
gemaakt
moet
worden.
Een
goede
timing
van
de
spieren
onderling,
(intermusculaire
coördinatie)
en
het
exact
tegelijk
aanspannen,
(contraheren),
van
de
vezels
in
een
spier,
(intramusculaire
coördinatie),
is
bepalend
voor
de
startsnelheid,
maar
ook
voor
de
explosiviteit
per
slag
op
bijvoorbeeld
een
1000
meter.
Het
lichaam
moet
leren
in
één
keer
de
juiste
hoeveelheidspieren
aan
te
spannen (recrutering
van
motorunits).
Dit
moet
aangeleerd
worden.
Hypertrophie
is
een
must
De
dwarsdoorsnede
van
de
spier
is
bepalend
voor
de
prestatie.
Hoe
dikker
de
spier
dus,
hoe
meer
kracht
er
geleverd
kan
worden.
Dat
gaat
wel
tot
een
bepaald
maximum,
want
een
teveel
aan
spieren
kan
ook
in
de
weg
gaan
zitten
en
dan
gaat
het
ten
koste
van
de
coördinatie.
Een
gegeven
is,
dat
een
dikke
spier,
dus
veel
kracht,
van
heel
groot
belang
is
voor
het
maken
van
een
snelle,
krachtige,
explosieve
beweging.
Hypertrofie
training
(de
training
van
spiermassa)
vormt
zeker
een
onderdeel
van
sportspecifiek
krachttrainen.
Het
is
belangrijk
de
spieren
eerst
dikker
en
sterker
te
maken.
Bij
hypertrofie
training
worden
gewichten
langzaam
verplaatst.
De
spier
houdt
gedurende
het
gehele
traject
van
de
beweging
liefst
maximale
spanning.
Hoe
hoger
de
spanning,
hoe
meer
er
groeihormoon
wordt
aangemaakt.
Daarom
moet
de
beweging
langzaam
gebeuren.
Groeihormoon
zet
de
aanmaak
van
testosteron
(mannelijk
geslachtshormoon)
in
werking.
En
door
de
aanmaak
van
testosteron
worden
de
spieren
dikker
en
ontstaat
hypertrofie.
Timing
in
explosiviteit
De
aangetrainde
spiermassa
moet
later
in
het
seizoen
snelheid
aangeleerd
worden.
Explosiviteit
is
hier
het
sleutelwoord.
Snelheid
in
de
wedstrijdbeweging.
Bij
deze
trainingen
wordt
veel
gebruik
gemaakt
van
belaste
en
onbelaste
sprongvormen.
Ook
wordt
veel
met
elastieken
en
kabels
getraind,
om
met
grote
snelheid
en
gedoseerde
weerstand
snel
de
bewegingen
te
maken.
Weinig
gewicht
en
grote
snelheid
van
beweging.
Een
te
zwaar
gewicht
kan
onmogelijk
snel
worden
verplaatst.
Hier
gaat
het
niet
om
hypertrofie
–
dus
hoge
spierspanning
–
maar
om
snelheid
en
explosiviteit
in
de
beweging.
De
timing
van
de
spieren
en
spiergroepen
om
exact
op
het
zelfde
moment
maximaal
aan
te
spannen.
In
exact
dezelfde
bewegingen,
gewrichtsuitslagen
en
snelheden
als
tijdens
een
wedstrijd.
Afhankelijk
van
de
soort
beweging
die
er
getraind
moet
worden
wordt
het
gewicht
gekozen.
Het
starten
bij
het
schaatsen
of
skeeleren
is
een
ruwe,
maar
ook
zware
beweging.
Die
mag
met
redelijk
veel
gewicht
worden
getraind.
Maar
de
beweging
moet
nog
wel
snel
kunnen
worden
uitgevoerd.
Om
de
bijvoorbeeld
de
explosiviteit
per
schaatsslag
te
trainen
wordt
met
minimale
gewichten
gewerkt.
Bij
te
zware
gewichten
wijkt
de
snelheid
van
bewegen
al
snel
teveel
af
van
de
werkelijke
wedstrijd
beweging
want
een
(te)
zwaar
gewicht
kan
onmogelijk
snel
verplaatst
worden.
Het
gehele
lichaam
Omdat
het
gehele
lichaam
bij
een
krachtige
beweging
betrokken
is
moeten
alle
spieren
getraind
worden.
Buikspieren
bijvoorbeeld
zorgen
samen
met
de
rugspieren
voor
de
stabilisatie
de
onderrug
en
het
bekken.
Een
arm
of
beenbeweging
kan
krachtiger
worden
uitgevoerd,
als
buik-
en
rugspieren
getraind
zijn
in
die
beweging.
Een
sterke
schouderpartij
werkt
blessure
preventief.
Maar
al
te
vaak
komt
een
sporter
in
de
problemen
omdat
zijn
of
haar
arm
uit
de
kom
gaat
door
een
val
of
iets
dergelijks.
Ook
botten
worden
sterker,
omdat
door
krachttraining
de
densiteit
(botdichtheid)
aanzienlijk
toeneemt.
|